MW2011: 3 science musea in Philadelphia

Tijdens de pre-conference tour van Museums and the Web in Philadelphia bezochten we drie science musea. We kregen in achtereenvolgens the Franklin Institute, the Academy of Natural Sciences en the Mütter Museum een rondleiding. De eerste was veel te groot om volledig te bekijken, dat kost je minstens een dag, maar we kregen een toelichting op enkele tentoonstellingen en het gebruik van multimedia daarin. In een volgende post kom ik daar nog op terug, aangezien ik het dan meer over exhibit vormgeving en multimedia wil hebben. Nu wil ik het over de andere twee musea hebben, omdat daar op gebied van internet en sociale media zo heel anders wordt gewerkt.

Museum als plek van actueel onderzoek
Bij de Academy of Natural Sciences / Natural History Museum, een soort evenknie van Naturalis (maar dan traditioneler), maakten we kennis met enkele onderzoekers en hun web-gerelateerde bezigheden. Grappig genoeg hadden we uiteindelijk geen tijd meer om de museumzalen te bezoeken, al waren de kantoren waar aan wetenschappelijk onderzoek gedaan werd op zichzelf rijp om als voorbeeld van vervlogen tijd geconserveerd te worden. Wat varieerde van het digitaliseren van herbaria tot het online toegankelijk maken van informatie over diatomee (kiezelwieren), of het (interactief) in kaart brengen van (rivier)stromen in de VS en met name de klimaatveranderingen en milieu-effecten van diverse ingrepen. Toen ik vroeg of dat misschien gekoppeld kon worden aan Google Earth, antwoorde de betreffende onderzoeker dat hij daar wel eens naar had gekeken, maar er niet uit gekomen was. Er volgde een lunch, waarbij onze gids, webmanager Dennis Murphy, openhartig vroeg naar onze mening en ervaring omtrent de inzet van o.a. sociale media, iets waarvan hij bekende er nog niet erg in thuis te zijn. Er volgden veel suggesties en tips.

Tijdens de daarop volgende conferentiedag opperde ik bij Dennis Murhpy, dat ze gewoon contact zouden moeten opnemen met Google om te vragen hoe ze elkaar konden helpen. Met de gedachte dat Google er wel degelijk in geïnereseerd zou zijn om wereldwijd waterstromen en milieu-effecten in kaart te kunnen brengen (op z’n minst vanwege de verbinding met tal van wetenschappers en de goodwill); vooral omdat ze dat al lang doen. Daar werd Dennis erg enthousiast van; het zette e.e.a. in een heel ander daglicht. We hebben gegevens uitgewisseld en hij benadrukte dat hij me echt zou benaderen als ik ergens mee kon helpen. Intussen kreeg ik van Bart Grob van Museum Boerhaave, met wie ik er in de wandelgangen van de conferentie over sprak, een paar uur later nog een tip via twitter: Supporting our beloved science museums, een blogpost op het Google blog. Dat stuurde ik meteen weer door naar Dennis.

Naderhand ben ik Dennis Murphy nog herhaaldelijk tegengekomen op de conferentie en zijn enthousiasme voor zowel de toepassingsmogelijkheden van sociale media als voor de gedachte om Google daadwerkelijk te benaderen, bleef stijgen. En we namen als vrienden afscheid. Dat is meteen de grote winst van zo’n conferentie en niet in het minst van de pre-conference tour, waar je met een klein gezelschap verschillende musea bezoekt en heel direct contacten legt met alle betrokkenen. Zo kun je dus binnen een kort tijdsbestek, daarbij geholpen door sociale media, heel wat in gang zetten.

Het museum als rariteitenkabinet én als tv-kanaal
Het derde museum dat we tijdens de pre-conference tour bezocht, was het Mütter Museum. Daar kregen we van achtereenvolgens Robert Hicks, de (part-time) directeur en Nathan J Bazzel, Director of Communications, een uitgebreide en zeer aanstekelijke presentatie. Waar het Mütter Museum een kleine tien jaar geleden nog een tamelijk marginaal museum was met een zeer specifieke, uitzonderlijke collectie anatomisch/medische artefacten met zo’n zesduizend bezoekers per jaar (hoofdzakelijk medisch studenten) is het nu een drukbezocht museum, met ca. 120.000 bezoekers per jaar; en tevens een tv-kanaal op o.a. YouTube, met de directeur in een hoofdrol.
Ze hebben dus niet alleen wat leuke filmpjes op YouTube gezet, maar hebben voor minder dan $10.000 (6000 euro) een professionele camera, belichting, audio apparatuur en beeldbewerkings hard- en software aangeschaft. Daarmee zijn ze opnames gaan maken volgens een van tevoren bedacht ‘format‘. Deze interviews, lezingen en verhalen zenden ze op vaste tijden wekelijks uit. Dit is het grote uithangbord voor het museum geworden.

Daarin zijn ze dusdanig succesvol, dat zowel Discovery Channel als de BBC met ze (willen) samenwerken. Daardoor is het museum niet alleen befaamd geworden, maar heeft het ook een inhoudelijke autoriteit kunnen vestigen. Ze hebben communicatie serieus genomen en gebruikt voor o.a. educatieve doeleinden (en om financiële opbrengst te bevorderen). Het heeft o.a. geresulteerd in een ‘Honorable Mention’ tijdens Museums and the web 2011 in de categorie educatie met a history of vaccins.

Aardig om te vermelden is dat het team uit ongeveer 40 personen bestaat, waarvan er maar 2 fulltime in dienst zijn. Ze zijn allen gedreven door enthousiasme voor het museum, fungeren stuk voor stuk als ambassadeur en vinden er lezier in meerdere functies in hun eigen persoon te verenigen. Je kunt je dan afvragen wat het meest succesvol is, de professionele tv-formats op een sociaal medium als YouTube, of de spirit van het team. Het zal de combinatie zijn. Naast YouTube zetten ze overigens nog meer sociale media en een app voor zowel apple als voor android in. Ze worden door ruim 10.000 mensen op Facebook leuk gevonden en hebben ze bijna 3500 volgers op twitter. Ook hier wordt het succes mede bepaald door de combinatie, ditmaal van media.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *