Salon de museologie: ontzamelen, het taboe voorbij?

Donderdag 10 oktober 2013 kwam de Salon de museologie bijeen in Amsterdam. Onderwerp van de avond: ontzamelen. Een avond die niet voor niets begon met een citaat uit 1965(!) van C.Blok: “een museum is een plek waar dingen hun bestaan eindigen”.
Aanwezige sprekers waren Bernhard Brinkmann van Museumveiling.nl, Dieuwertje Wijsmuller van Stichting Onterfd Goed en Heleen Buijs, directeur van het binnenkort gesloten Geldmuseum.

De avond luidde in met foto's van Greatartinuglyrooms, hoe zouden museumstukken bij de mensen thuis hangen?
De avond luidde in met foto’s van ‘Great Art In Ugly Rooms’, hoe zouden museumstukken bij mensen thuis hangen?

Bijeen houden of slim verspreiden?

Bij de start van de Salon wordt kort ingegaan op wat er met de collectie van het Geldmuseum gaat gebeuren. Van deze enorme collectie (400.000 objecten) schat de huidige directeur dat zo’n 95% niet interessant is voor het grote publiek. Alleen de topstukken zouden interessant zijn voor deze mensen, de rest is “vooral archief en onderzoeksmateriaal”. Het streven van het Geldmuseum was om de collectie bijeen te houden. Dit is, enkele objecten daargelaten, bereikt door de collectie bij de Nederlandse Bank onder te brengen.

Dieuwertje Wijsmuller (Onterfd Goed) stelt daarbij dat het bij elkaar houden van collecties lang niet altijd reëel is. Zeker niet in deze tijd. Andere instellingen willen lang niet altijd de volledige collectie van een ander museum overnemen, soms wel een deel.
Daarbij komt ook dat als we aandragen de collectie bijeen te houden “omdat dat beter is voor het onderzoek”, we ons toch eens moeten afvragen hoe reëel dat argument is voor een land als Nederland. Nederland is een klein land, onderzoekers kunnen dan toch net zo goed drie instellingen langsgaan? Collecties ontlenen in zo’n geval dan in naam nog wel bescherming aan een status omdat ze samen een geheel vormen (zoals de Rijkscollectie of Collectie Nederland), maar fysiek kunnen de objecten zich gescheiden over instellingen bevinden.

Kennis en emotie, moeilijke ballast?

Conservatoren hebben kennis van objecten in onze collecties. Deze expertise is moeilijk vast te leggen en ontzettend fragiel. Het kost 2 jaar voor een jonge conservator op hetzelfde niveau zou zitten als de onze huidige, stelt Heleen Buijs. Oude conservatoren blijven ( gelukkig) vaak als vrijwilliger nog wel betrokken met hun collectie. zo blijft hun kennis en expertise voorlopig nog wel bij de collectie. Maar zoals het Geldmuseum al stelt: het systeem is wankel.

Stichting Onterfd Goed geeft aan een generalist te zijn. Zij heeft zelf niet de kennis in huis, daarvoor wordt contact gezocht met deskundigen die dat wel hebben. Iets dat in praktijk heel goed heeft uitgepakt. Expertise hoeft niet vast te zitten aan een plek of collectie, die kan je inhuren wanneer het nodig is en met de huidige technische mogelijkheden hebben we een wereldwijd netwerk van deskundigen.
Met de externe deskundigen kan Stichting Onterfd Goed met de nodige distantie kijken naar de collectiestukken. In geval van de voormalige Scryption collectie, wordt er gedacht vanuit Nederland. Welk erfgoed is relevant voor Nederland? Hoe heeft dit object in Nederland een rol gespeeld?

Ook binnen musea worden deze vragen gesteld door conservatoren en beheerders maar zij zijn misschien wel te gevoelsmatig betrokken bij dit proces. Erkent wordt dat het een probleem is dat als je je maar diep genoeg in een onderwerp duikt, je altijd wel iets tegenkomt waarvan je vind dat moet worden behouden. Worden kennis en emoties soms een te zware ballast als het gaat om het afstoten van objecten?

Er zou een onafhankelijke partij mee moeten kijken die kritische vragen stelt en deadlines kan stellen. Daarbij is een toetsingskader nodig dat contextueel is bepaald. Wat is maatschappelijk relevant? Wat is enkel relevant voor kleine groepen? En wie is de aangewezen persoon om dit object te bewaren?
Vooral de vragen over maatschappelijke waarde en functie zijn moeilijk te benoemen. Zeker omdat het voor het museum zelf vaak niet duidelijk is wat haar eigen maatschappelijke waarde is. De verantwoordelijkheid ligt bij musea zelf.

“Als je als museum al zo lang bestaat en toch nog niet goed kan aangeven waarom je bestaat, verdien je het dan nog wel?”

En wat betreft het bewaren van collecties: waarom roepen we geen hulp in van particulieren, die misschien met veel meer aandacht voor een object kunnen en willen zorgen? Objecten onderbrengen bij een particulier betekent niet direct dat iets verloren gaat.

Ontzameltools

Bernhard Brinkmann van museumveiling.nl en Yuri van der Linden van de herplaatsingsdatabase (RCE) geven beide aan een tool te zijn voor musea om objecten aan te bieden. Maar naast de aangeboden tools wordt tijdens deze Salon ook ingegaan op het feit dat musea onderling beter moeten communiceren. Yuri van der Linden (herplaatsingsdatabase) geeft aan musea maar al te vaak te moeten herinneren om ook direct andere musea te benaderen als een instelling objecten wil afstoten.
Communicatie is misschien niet simpel, zeker niet over een onderwerp als ontzamelen. Maar gehoord wordt dat we “toch echt eens duidelijk van elkaar moeten weten wie wat in huis heeft”.

Opruimen of bewaren?

Op de vraag of musea tussendoor nog wel genoeg opruimen, stelt Dieuwertje Wijsmuller dat er eigenlijk een vaste Deaccessioning manager (schoonmaker) zou moeten zijn in een museum. Iemand die gespecialiseerd is in ontzamelen en naast de conservator kan staan.
Daarnaast wordt gesteld dat minstens 80% van de museale objecten B-, C- of “nog ergere”-collectie is. In dat geval moet men toch eens goed na gaan denken over de kosten die het beheer van al die objecten met zich meebrengt. Zeker als zo weinig objecten de ogen van het publiek zullen bereiken.
Andre Groeneveld (conservator Zuiderzeemuseum) stelt dat het Zuiderzeemuseum de afgelopen 30 jaar enorm veel objecten verzamelde om het museum maar te vullen, nu, jaren later, zijn er inderdaad enorm veel objecten die weg zouden kunnen. Maar daarnaast stelt hij ook dat er objecten zijn geweest die in die 30 jaar juist ineens veel meer waard zijn geworden.
Reactie hierop volgt in de vraag: “Als je jaren later spijt kan hebben van 20 objecten, moet je dan vooraf al zeggen dat je alle 20.000 objecten maar gewoon niet afstoot?”.

Onderzoek en verantwoordelijkheid

Objecten zijn momenteel niet altijd goed beschreven. Het kost geld om objecten te onderzoeken voordat je het als museum kunt gaan afstoten. Geld dat musea momenteel niet zeggen te hebben. En dat terwijl er dus wel jaar in en jaar uit geld in het beheer van al die objecten wordt gestopt. Musea willen nu dus geen grote investeringen doen om collecties te onderzoeken. Maar waarom beginnen we dan niet klein? Iedere collectiebeheerder ziet wel minstens één object in het depot staan waar over de waarde kan worden getwijfeld.

Uit het publiek wordt opgemerkt dat musea pas 25 jaar bezig zijn met het digitaliseringsproces en de automatisering, het is allemaal nog in volle gang, het komt wel… Maar hebben we in 25 jaar dan wel goed genoeg gewerkt? Hoe kan het zo zijn gelopen dat onze sector zo lijkt achter te lopen op andere sectoren als we het hebben over digitalisering en automatisering? We weten kennelijk na al die jaren nog steeds niet goed genoeg van elkaar wie wat heeft. Zijn onze tools wel toereikend? Is soms onze verzamel ego te groot geworden? Of is de liefde voor de objecten zo groot dat we onze schatten niet durven te herwaarderen?

Gehoord wordt het volgende:

“We moeten nu met elkaar aan de slag! We moeten nu de relevante collecties in Nederland in kaart brengen! Dat is als museum toch een van je kerntaken?”

Kortom, de avond van deze Salon is er een geworden van veel standpunten, ideeën, overwegingen en discussies. Ontzamelen kan beter dan hoe het nu gaat, dat moge duidelijk zijn. Maar kunnen we het taboe dan nu eindelijk doorbreken?  Gaan we actie ondernemen? Gaan we nu ingrijpen en niet alsmaar afwachtend kijken? Gaan we beter communiceren? En gaan we als sector elkaar dan nu eindelijk helpen in het beschermen van de echt relevante collecties? We hebben wat te doen, en dat moeten we samen doen.